HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3486
Art. 11.3 en 5 Opiumwet. Art. 80a RO. Blijkens hetgeen is bewezenverklaard en de kwalificatie daarvan, niet alleen inhoudende dat verdachte heeft gehandeld “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” maar ook dat het feit betrekking heeft op “een grote hoeveelheid”, heeft het Hof niet alleen het 3e, maar ook het 5e lid van art. 11 Opiumwet toepasselijk geacht. In het licht daarvan en gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen voorts de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, is het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2. bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren- belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling. Gelet hierop verklaart de HR - gezien art. 80a RO - het beroep n-o.
De uitspraak op rechtspraak.nl