HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3057

Zaak Stegeman. Valselijk opmaken KLM-pas door onderzoeksjournalist. Recht op vrijheid van meningsuiting. Art. 10 EVRM. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:BY3752. Het Hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde naar aanleiding van het door de verdachte gedane beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting terecht tot uitgangspunt genomen dat de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, moet worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid. De middelen komen tevergeefs met rechts- en motiveringsklachten op tegen de uitkomst die het Hof heeft verbonden aan de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde aan de hand van de verschillende in aanmerking genomen, in onderling verband en samenhang beschouwde factoren. Ook het middel dat klaagt over het oordeel van het Hof dat de inbreuk die de vervolging en strafbaarheid van het bewezenverklaarde vormt op het recht op vrijheid van meningsuiting in het licht van het tweede lid van art. 10 EVRM geoorloofd is, faalt. Voorop staat dat het recht op vrijheid van meningsuiting slechts in uitzonderlijke omstandigheden meebrengt dat een journalist ter uitoefening van dat recht een strafbaar feit mag plegen. Tegen die achtergrond heeft het Hof zijn belangenafweging gemaakt. ’s Hofs oordeel dat bij afweging van alle belangen de vervolging en strafbaarheid van het bewezenverklaarde geoorloofd is, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 10 EVRM en de bij deze afweging te hanteren maatstaven. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft bij zijn afweging de bedoelde factoren als relevant in ogenschouw kunnen en mogen nemen. Tot een nadere motivering van zijn afweging en van de zwaarte van elk van de in aanmerking genomen belangen of factoren tegenover elkaar was het Hof niet gehouden, ook niet in het licht van het in de toelichting op het middel ingenomen standpunt dat het voorwaardelijke karakter van de opgelegde straf gedurende de proeftijd een ‘chilling effect’ heeft op de nieuwsgaring door verdachte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken