HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2919

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG onder 4 t/m 7 kan verdachte niet worden ontvangen in het ingestelde beroep. Appel is ingesteld door de gemachtigde van verdachte en aan deze is o.g.v. art. 408a jo. 450.2 Sv aanstonds de appeldagvaarding uitgereikt. Nu die uitreiking ex art. 450.4 Sv geldt als betekening in persoon, had verdachte ingevolge art. 432.1.a. Sv uiterlijk binnen 14 dagen na ’s Hofs einduitspraak cassatie moeten instellen. Cassatie is na het verstrijken van deze termijn ingesteld. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl