HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1328

Openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. In vereniging gepleegd? HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2003:AL6209. Blijkens de wetsgeschiedenis is van het “in vereniging” plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet z.m. voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. Aangezien de bewezenverklaring van het onder 2 tlgd., voor zover inhoudende dat verdachte “tezamen en in vereniging” met een ander geweld heeft gepleegd tegen goederen, niet z.m. kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte inhoudt dat twee medeverdachten ieder een steen oppakten en verder liepen, dat een medeverdachte daarbij zei: “misschien kunnen we daar nog wat meer kloten”, en dat verdachte, onderweg naar de woning waartegen de steen werd gegooid, heeft geprobeerd de medeverdachten ervan “te overtuigen niet verder te kloten met die steen”, waarna een medeverdachte zijn steen heeft neergelegd maar de andere medeverdachte zijn steen tegen de woning heeft gegooid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken