HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243
Noodweer. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BM7508 m.b.t. het feit dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet kan worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat naar diens oordeel voor verdachte de reële mogelijkheid bestond om, nadat het eerdere conflict met het latere slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich te onttrekken aan verder agressief gedrag van het latere slachtoffer. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de situatie voorafgaand aan het incident (waarbij zowel door verdachte als door het latere slachtoffer is geschoten), welke vaststellingen inhouden dat buiten het partycentrum sprake was van een ruzie waarbij onder meer verdachte en het latere slachtoffer waren betrokken, dat verdachte na afloop van die ruzie samen met een ander naar zijn auto is gelopen, dat verdachte vervolgens is teruggelopen in de richting van het partycentrum en bij de auto van een derde is gaan staan en dat het slachtoffer vervolgens in de richting van verdachte is gelopen, daarbij verbaal tekeer ging en een wapen bij zich had. De HR neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, dat het slachtoffer zelf, terwijl verdachte zich eerst naar zijn auto en vervolgens naar de auto van een derde had begeven, in de richting van verdachte is gelopen en dat uit ’s Hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake was van een dreigende aanranding waaraan verdachte zich had moeten onttrekken. Conclusie AG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl