HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:122

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. De Hoge Raad neemt in het bijzonder in aanmerking dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed vanaf het moment waarop de verdachte het slachtoffer tevergeefs om geld heeft gevraagd, waarbij het Hof omtrent de duur van dit tijdsbestek niets anders heeft vastgesteld dan dat de verdachte in dat tijdsbestek naar de wc, de keuken en de berging is gegaan en in de berging een snoer heeft afgeknipt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is voorts niet begrijpelijk ‘s Hofs kennelijke oordeel dat de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte gedurende dit - kennelijk beperkte - tijdsbestek een “veelheid van handelingen” moest verrichten en een “veelheid van beslissingen” moest nemen, aannemelijk maakt dat de verdachte in dit tijdsbestek daadwerkelijk voornoemde gelegenheid had om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken