HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:952

Belediging. Art. 137c Sr. Onder “zich in het openbaar uitlaten” a.b.i. art. 137c, Sr, welke bepaling beoogt de openbare orde te beschermen, dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt het aan op de bijzondere omstandigheden van het geval. HR noemt omstandigheden die hiertoe - al dan niet in onderling verband en samenhang te beschouwen - kunnen behoren. I.c. gaat het om ongevraagd toegestuurde e-mailberichten door verdachte verspreid onder een groot aantal publieke personen uit de Tweede Kamer, politieke partijen, redacteuren van praatprogramma’s, advocaten, pers, televisieomroepen en andere organisaties. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde uitlatingen ter kennis van het publiek zijn gebracht, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het delictsbestanddeel “zich in het openbaar uitlaten” a.b.i. art. 137c Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient nog dat het doen van discriminatoire uitlatingen met het opzet dat zij worden geopenbaard in het - zich hier niet voordoende - geval dat deze niet ter kennis van het publiek zijn gebracht als hiervoor bedoeld in beginsel kan worden beschouwd als een strafbare poging tot het begaan van het delict van art. 137c Sr.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen