HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539

Oplegging taakstraf. Art. 22b.2 Sr. Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 22b.2 Sr aldus worden uitgelegd dat - afgezien van de in het eerste lid omschreven gevallen - een taakstraf i.g.v. veroordeling voor een misdrijf alleen dan niet kan worden opgelegd, indien (i) aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en (ii) de veroordeelde deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht dan wel o.g.v. art. 22g Sr de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis. E.e.a. brengt mee dat deze eerdere uitspraak reeds t.t.v. het begaan het nieuwe feit kracht van gewijsde moet hebben gehad. Het door het Hof genoemde UJD houdt in dat verdachte bij arrest van het Hof Arnhem van 29 maart 2011 is veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren. Dit UJD houdt echter tevens in dat dit arrest eerst op 12 maart 2013 - dus na het plegen van het onderhavige feit - onherroepelijk is geworden. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat het wederom opleggen van een taakstraf i.c. niet mogelijk is, onjuist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen