HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471
Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:856, NJ 2014/231. Op 17 juni 2013 is door een griffiemedewerker van het Hof namens de verdachte cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof van 8 juni 2012. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de verdachte was verschenen ttz. van het Hof naar aanleiding waarvan het arrest is gewezen, kan hij ingevolge art. 432.1 aanhef en onder b Sv in het beroep niet worden ontvangen. De omst. dat de rm van de verdachte binnen de cassatietermijn zijn aan de griffie van het Hof geadresseerde volmacht om namens de verdachte beroep in cassatie in te stellen per fax naar de administratie van de HR heeft gezonden en dat deze volmacht aldaar is aangezien voor een stelbrief t.b.v. de cassatieprocedure leidt, in het licht van voornoemd arrest, niet tot een ander oordeel. Opmerking verdient dat n.a.v. de volmacht van 21 juni 2012 namens de griffier van de HR op 22 juni 2012 aan de rm een brief is gezonden inhoudende dat de “stelbrief” op 21 juni 2012 was ontvangen.
De uitspraak op rechtspraak.nl