HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303

Beslissing tot betaling van wettelijke rente over de toegekende bedragen aan schadevergoeding van de bp-en. V.zv. de klacht de vorderingen betreft van de bp-en A, B en C, is het middel terecht voorgesteld, nu uit de voegingsformulieren op naam van deze bp-en niet blijkt dat zij vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd. Het middel klaagt voorts terecht dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat over de aan de bp-en Y en Z toegekende bedragen wettelijke rente is verschuldigd vanaf resp. 1 maart 2011 en 10 mei 2010. Wettelijke rente over de door verdachte te vergoeden schade die de bp als gevolg van het te zijnen laste bewezenverklaarde feit heeft geleden kan niet eerder ingaan dan de dag waarop het schadeberokkende strafbaar feit is gepleegd. Uit de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van Y en Z volgt dat het bewezenverklaarde feit, v.zv. het jegens Y is gepleegd, op 16 maart 2011 is begaan en, v.zv. het jegens Z is gepleegd, op en na 20 mei 2010 is begaan. V.zv. het middel tot cassatie leidt, doet de Hoge Raad zelf de zaak om doelmatigheidsreden af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen