HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3156
Verzoek tot aanhouding ottz. Volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding van verdachte om ttz. van het Hof van 3 oktober 2013 terecht te staan op 26 september 2013 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in art. 588.3.c Sv. De in art. 413.1, eerste volzin, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen is dus niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte en blijkens het p-v van de tz. verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het ottz. o.g.v. art. 413 Sv i.s.m. art. 265.3 Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het ottz. voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.
De uitspraak op rechtspraak.nl