HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144

Internetoplichting, aannemen valse hoedanigheid. Art. 326 Sr. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat iemand zich i.s.m. de waarheid voordoet als bonafide verkoper die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en aan hem vooruitbetaalde goederen te leveren, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid a.b.i. art. 326 Sr. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de gedragingen van verdachte in de onderhavige zaak meer omvatten dan het enkele zich voordoen als zo een bonafide verkoper, nu die gedragingen ook inhouden dat verdachte telkens opzettelijk “foutieve namen en verschillende e-mailadressen” hanteerde met het doel de mogelijkheden van de gedupeerde kopers tot verhaal op verdachte te bemoeilijken. Gelet hierop moeten ’s Hofs overwegingen aldus worden verstaan dat de door verdachte aangenomen valse hoedanigheid niet louter bestond uit het zich í.s.m. de waarheid voordoen als bonafide verkoper, maar tevens uit het als verkoper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan zijn wederpartij. Aldus verstaan geeft ‘s Hofs oordeel dat de gedragingen van verdachte vallen aan te merken als oplichting i.d.z.v. art. 326 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen