HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095

Belaging, art. 285b Sr. OM-cassatie tegen vrijspraak slaagt op twee punten. 1. Het oordeel van het Hof steunt op de opvatting dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander ten tijde van die gedraging bekend was met die gedraging en dus niet indien deze nadien op de hoogte is gekomen van die gedraging. Die opvatting vindt geen steun in het recht. 2. HR herhaalt HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626: bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging a.b.i. art. 285b Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Voor zover aan het oordeel van het Hof de opvatting ten grondslag ligt dat de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tll vermelde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer nimmer kan worden aangemerkt als een van de hiervoor genoemde omstandigheden, is dat onjuist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken