HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3093
Art. 197 Sr en de terugkeerrichtlijn. Ambtshalve beoordeling n.a.v. de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Filev en Osmani (C-297/12) over het moment van aanvang van de vijfjaarstermijn a.b.i. art. 11.2 van de richtlijn; deze vangt aan op het moment waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten en niet op het moment van de ongewenstverklaring. Voor zover een ongewenstverklaring die is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum moet worden gelijkgesteld aan een inreisverbod a.b.i. art. 3 onder 6 van de richtlijn, is ook die ongewenstverklaring vanaf het verstrijken van die datum in beginsel gebonden aan de maximale duur van vijf jaar a.b.i. art. 11.2 van de richtlijn, die wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. In dat verband geldt immers dat een vóór die inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijkgesteld - in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de maximale duur a.b.i. art. 11.2 van de richtlijn - indien en voor zover de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl