HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3081

Bewijsklacht voorbereiding moord. Artt. 46, 287 en 289 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel “voorbedachte raad” uit ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156. De opvatting dat aan de bewezenverklaring van de voorbereiding van moord dezelfde (motiverings-)eisen moeten worden gesteld als in voornoemde rechtspraak bij de bewezenverklaring van (poging tot) moord is - in haar algemeenheid - onjuist. Dit neemt niet weg dat ook voor de voorbereiding van moord geldt dat, mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat bewezenverklaring van voorbereiding van moord heeft t.o.v. voorbereiding van doodslag, aan het bewijs van het bestemd zijn tot het begaan van moord bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en dat de rechter, i.h.b. indien uit de bwm niet rechtstreeks volgt dat sprake is van die bestemming, in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht moet geven aan de vraag op grond waarvan uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt dat het misdadige doel dat vd met zijn voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen voor ogen stond, als moord moet worden aangemerkt. Dat past ook bij het voor voorbereiding geldende vereiste dat de bewezenverklaarde gedragingen strekken ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld (vgl. ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338). Aldus zal ook bij de voorbereiding van moord sprake moeten zijn van een voorgenomen daad en gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die daad. Een en ander kan overigens volgen uit de planmatige aard van de voorbereiding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken