HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756

Art. 11.3 Opiumwet. Handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel - verdrievoudiging strafmaximum op te leggen vrijheidsstraf - moeten aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te besteden. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de teelt i.c. zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” a.b.i. art. 11.3 Ow geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting naast het derde lid ook het vijfde lid van art. 11 Ow heeft kunnen toepassen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen