HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2666

Betekening appeldagvaarding, art. 588a Sv. HR haalt ECLI:NL:HR:2012:BX4736 aan. Verdachte heeft in e.a. een adres opgegeven a.b.i. art. 588a.1 aanhef onder b Sv. Uit de omstandigheid dat i.h.k.v. de betekening van de appeldagvaarding bekend is geworden dat verdachte nadien op een ander adres in de GBA ingeschreven heeft gestaan en daarna Z.V.W.O.V.H.T.L. was, kon het Hof niet zonder meer afleiden dat verdachte het opgegeven adres niet wenste te handhaven. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ex art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het ottz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken