HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1695

1. Falende klacht dat het Hof heeft nagelaten het so. als getuige te beëdigen. Vooropgesteld moet worden dat blijkens de wetsgeschiedenis geen beëdiging van het so. als getuige is vereist als hem vragen worden gesteld die uitsluitend betrekking hebben op diens verklaring omtrent de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad, doch hij wel als getuige dient te worden beëdigd bij vragen die mogelijk samenhangen met de beantwoording van de vragen van de artt. 348 en 350 Sv. Hoewel de i.c. relevante verklaring van het so. niet uitsluitend de gevolgen van het strafbare feit voor hem betreft, en zij mogelijk samenhangt met de beantwoording van vragen in de artt. 348 en 350 Sv, moet worden aangenomen dat het Hof geen, dan wel zeer gering gewicht aan die verklaring heeft toegekend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij zijn klacht. 2. Klacht over verwerping beroep op noodweer(exces). De HR verwijst de zaak naar de rolzitting, opdat de AG zich alsnog over deze klacht kan uitlaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen