HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1655

1. Salduz-verweer. 2. Strafoplegging. Draagkracht. 3. Middel BP: art. 81.1 RO. 4. Ambtshalve: schending van de redelijke termijn in cassatie en partiële verjaring van feit 1 primair. Ad 1. Klacht is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden nu het Hof de door verdachte bij de FIOD afgelegde verklaringen niet als bewijsmiddel heeft gebezigd. Ad 2. Met zijn overweging dat niet aannemelijk is dat verdachte “thans en naar redelijkerwijs te verwachten valt in de toekomst” geen inkomsten zal kunnen verwerven om de geldboete te voldoen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het het standpunt van de verdediging dat verdachte in een faillissementssituatie verkeert niet als juist aanvaardt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Mede in het licht van hetgeen door en namens verdachte voor het overige omtrent zijn huidige financiële situatie is aangevoerd, is de oplegging van de geldboete ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het Hof zich in zijn overweging rekenschap gegeven van de bij de vaststelling van de geldboete ingevolge art. 24 Sr in acht te nemen draagkracht van verdachte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen