HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1618

Profijtontneming. Schatting w.v.v. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof het verschil berekend tussen de koers van het aandeel [X] op de tijdstippen waarop betrokkene deze aandelen op 18 december 2006 heeft aangekocht en de slotkoers van het aandeel op 3 januari 2007, zijnde de koersen op de tijdstippen waarop betrokkene “van voorwetenschap gebruik heeft gemaakt” resp. op het tijdstip waarop “alle informatie in/en door de financiële markten was verwerkt”. Op basis van dit verschil heeft het Hof het w.v.v. geschat op de kosten die betrokkene zich heeft bespaard doordat hij de aandelen kon aankopen tegen een koers waarin de informatie waarover betrokkene beschikte nog niet was verdisconteerd. Gelet op art. 36e.4 (oud) Sr (thans art. 36e.5 Sr) geeft het oordeel van het Hof dat onder w.v.v. ook besparing van kosten is begrepen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel is voorts niet onbegrijpelijk. Aan die begrijpelijkheid doet niet af de in de toelichting op het eerste middel genoemde omstandigheid dat betrokkene de aandelen op enig moment na 3 januari 2007 met verlies heeft verkocht. Die omstandigheid is immers niet van invloed op de door betrokkene op 3 januari 2007 gerealiseerde besparing. Evenmin doet aan die begrijpelijkheid af de enkele geopperde mogelijkheid dat de koers van het aandeel X tussen de hiervoor genoemde tijdstippen ook door andere omstandigheden is beïnvloed. 2. HR overweegt ambtshalve dat de compensatie i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie zal worden toegepast in de met de onderhavige zaak samenhangende hoofdzaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen