HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1446

Art. 28 (oud) Wet beëdigde tolken en vertalers. Anders dan het middel betoogt, staat art. 28 niet eraan in de weg dat het verhoor van een persoon die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, niet steeds plaatsvindt met bijstand van – in beginsel – een in het register voor tolken ingeschreven tolk. Het verhoor kan plaatsvinden in een taal die de te horen persoon en de verbalisant in voldoende mate beheersen. Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat aangeefster zonder een beëdigde tolk in de Marokkaanse taal is gehoord door verbalisanten, van wie één de Marokkaanse taal beheerst, niet ertoe dient te leiden dat de door haar afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten, nu er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van die verklaring in het p-v en aan de betrouwbaarheid van de verklaring, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl