HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1439

Verstekverlening. De vermelding van het adres X in de appelakte kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres a.b.i. art. 588a.1.ahf.c Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. (Vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4736).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken