HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304

Art. 31 Vluchtelingenverdrag. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2012:BW9266. Waar het Hof niet heeft onderzocht of op de door verdachte ingediende asielaanvraag onherroepelijk afwijzend is beslist, kan de stelling van verdachte een vluchteling te zijn nog niet evident ongegrond worden bevonden en heeft het Hof het verweer strekkende tot n-o verklaring van het OM in de vervolging verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. In cassatie is een onherroepelijk geworden beschikking van de IND overgelegd inhoudende dat aan verdachte een verblijfsvergunning is verleend. In aanmerking genomen dat aan de herkomst en de betrouwbaarheid van dit stuk in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld, en in aanmerking genomen voorts dat zo een vreemdeling niet strafrechtelijk behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar i.h.k.v. zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten, zal de HR de OvJ alsnog n-o verklaren in de op art. 231 Sr gebaseerde strafvervolging van verdachte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken