HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1277
Opgave van bewijsmiddelen. Art. 359.3 Sv. 1) HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2006:AX5776. De stelling dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis of arrest de bewezenverklaring niet (volledig) steunt op een opgave van bewijsmiddelen doch op een of meer – uitgewerkte – bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende f&o, moet worden afgeleid dat geen sprake is van een zgn. bekennende verdachte a.b.i. art. 359.3.2e volzin Sv, vindt geen steun in het recht. 2) Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en 2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel terecht dat ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte deze feiten heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv, onbegrijpelijk is. De tot het bewijs van het in die zaken tlgd. gebezigde verklaringen van verdachte betreffen niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat in het bestreden arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis het wettig bewijsmiddel is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende verklaring van verdachte is ontleend, zodat het Hof wat betreft deze zaken niet kon volstaan met een opgave van bewijsmiddelen. 3) Wat betreft feit 2 heeft het Hof geoordeeld dat gedurende de in de tll. vermelde periode sprake was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Het heeft dat oordeel doen steunen op “de gedingstukken en het verhandelde ttz.”. Aldus heeft het Hof miskend dat indien het gaat om f&o die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl