HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1098
Art. 184.1 Sr. Falende bewijsklacht. Het Hof heeft uit de vastgestelde f&o niet onbegrijpelijk afgeleid dat de civielrechtelijke ontruiming van het pand geschiedde door de deurwaarder die het vonnis van de voorzieningenrechter aan de betrokkenen heeft betekend en dat de deurwaarder ex art. 444 Rv en o.g.v. de door de voorzieningenrechter aan de eisers verleende machtiging de daadwerkelijke ontruiming heeft doen bewerkstelligen ‘met behulp van de sterke arm’. Derhalve is het oordeel van het Hof dat de politieambtenaren bij de ontruiming van het pand handelden “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift” juist. De HR volstaat ambtshalve met constateren dat de redelijke termijn is geschonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 444 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 555 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 556 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 577a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 81 RO
- Artikel 174a Gemw
- Artikel 6 EVRM