HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063
Interregionaal recht. Rechtsmacht. Verzoek vader tot wijziging kinderalimentatie. Moeder en kind wonen op Curaçao. Dient bij de vaststelling bevoegdheid i.g.v. privaatrechtelijke zaken van interregionale aard bij gebreke van rijkswet aansluiting te worden gezocht bij de bevoegdheidsbepalingen van het IPR? Geldt hetzelfde voor BES-eilanden? HR 25 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0528, NJ 1989/421; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0663, NJ 2009/454. Dient eerst te worden onderzocht of overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan in EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen alvorens art. 1-14 Rv overeenkomstig wordt toegepast? Kan uit overeenkomstige toepassing van art. 10 Rv de rechtsmacht ook voortvloeien uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van bevoegde rechter? Geldt dat ook voor art. 99-110 en 262-270 Rv? Overeenkomstige toepassing art. 8 Alimentatieverordening (EG) nr. 4/2009 (PbEU 2009, L 7/1)? Kan zich in interregionaal verband een uitzondering voordoen, bedoeld in art. 8 lid 2 onder d Alimentatieverordening? Art. 40 Statuut. HR 14 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1233, NJ 1994/403, en HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6095, NJ 2014/50.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 10 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 269 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1 Statuut
- Artikel 38 Statuut
- Artikel 40 Statuut