HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2542
Belediging van de Koning, art. 111 Sr. 1. In ’s Hofs bewijsvoering ligt besloten dat het de verklaring van verdachte dat hij niet de Koningin maar de of een “koningin van de nacht” bedoelde niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen ttz. door verdachte voorts nog is verklaard, niet onbegrijpelijk. 2. V.zv. in cassatie een beroep wordt gedaan op de “linguïstieke uitingsvrijheid” van verdachte en dat deze uitingsvrijheid wordt beschermd door art. 10 EVRM, geldt dat een dergelijk beroep niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden gedaan. Het Hof heeft het betoog van verdachte kennelijk niet als zodanig opgevat, hetgeen niet onbegrijpelijk is.
De uitspraak op rechtspraak.nl