HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4474
1.Art. 1.03.3 BPR. Begrip ‘bestuurder’ van een schip. 2. Bezigen voor het bewijs van een bloedonderzoek. Art. 27 en art. 28a (oud) Scheepvaartverkeerswet. Ad 1. De opvatting dat het begrip ‘zelfstandig’ a.b.i. art. 1.03.3 BPR betrekking heeft op hem die zonder bijstand van een ander de koers en de snelheid van het schip bepaalt is onjuist. Aangenomen moet worden dat degene die zich aan boord bevindt en die zonder daartoe strekkende aanwijzingen van de schipper zelf de koers en de snelheid van het schip bepaalt, zulks ‘zelfstandig’ in de zin van art. 1.03.3 BPR doet en dat hij als zodanig verantwoordelijk is voor de naleving van het BPR. ’s Hofs oordeel dat onder de vastgestelde omstandigheden (ook) de verdachte kan worden aangemerkt als bestuurder van de speedboot geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ad 2. Van ‘een onderzoek’ a.b.i. art. 28a.5 Scheepvaartverkeerswet is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort a) dat de verdachte niet wordt onderworpen aan een bloedonderzoek wanneer hij kan voldoen aan de in het tweede lid van die bepaling genoemde verplichting ademlucht te blazen, alsmede b) dat een onderzoek van een afgenomen bloedmonster niet plaatsvindt dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Indien de rechter tot het oordeel komt dat bedoelde waarborgen niet zijn nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd. Art. 359a Sv is hier niet van toepassing. Vgl. HR LJN BS1721. Het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek niet correct is verlopen. ’s Hofs oordeel dat volstaan kon worden met de enkele constatering dat sprake is van vormverzuimen en dat daaraan niet het rechtsgevolg a.b.i. art. 359a Sv, waaronder bewijsuitsluiting, behoeft te worden verbonden, is gelet op het vooropgestelde onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl