HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3930

Art. 197 Sr. Art. 11.2 Richtlijn 2008/115/EG (terugkeerrichtlijn). Art. 66a.4 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ongewenstverklaard vreemdeling. 1. Rechtskracht ongewenstverklaring van vóór inwerkingtreding/uiterste implementatiedatum richtlijn. 2. Duur ongewenstverklaring van vóór inwerkingtreding/uiterste implementatiedatum richtlijn. 3. Ambtshalve: strafoplegging moet in overeenstemming met de richtlijn geschieden. Ad 1. In het algemeen is onjuist de opvatting dat de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste datum waarop de lidstaten die dienden te implementeren, meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring haar rechtskracht verliest op de enkele grond dat daarin niet is opgenomen dat deze slechts geldt voor een bepaalde duur a.b.i. art. 11.2 richtlijn m.b.t. het opleggen van een inreisverbod. Ad 2. Als zou moeten worden aangenomen dat de inwerkingtreding of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum van de richtlijn meebrengt dat een voordien uitgevaardige ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur a.b.i. art. 11.2 richtlijn m.b.t. het opleggen van een inreisverbod, zou aansluitend aan het in art. 66a.4 Vw bepaalde t.a.v. een inreisverbod moeten worden aangenomen dat die duur wordt berekend m.i.v. de datum waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten. De stukken waarvan de HR kennisneemt, houden niet in dat die datum is verstreken. Ad 3. HR herhaalt de vooropstelling uit HR 21 mei 2013, LJN BY3151. Vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen de lidstaten de richtlijn dienden te implementeren (24 december 2010) dient de strafoplegging bij een veroordeling t.z.v. art. 197 (oud) Sr in overeenstemming met de richtlijn te geschieden. I.c. blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. Vernietiging v.w.b. de strafoplegging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen