HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1439
Ondervragingsrecht verdediging en gebruik voor bewijs van ambtsedig p-v. Art. 6.1 en 3 EVRM. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig p-v v.zv inhoudende een niet ttz. afgelegde, verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en i.h.b. niet onverenigbaar met art. 6.1 en 3, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tlgd. feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die verdachte betwist (vgl. HR LJN BX5539). Het Hof heeft dit niet miskend. ’s Hofs oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de hem tlgd. feiten in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, waarin besloten ligt dat dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaringen die verdachte betwist, is gelet op de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl