HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9721

OM-cassatie. Art. 6 WVW 1994. Aanrijding motoragent met fietser. Beschikking van de Minister van V&W van 31-03-1994 (RVR 172392), houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. In ’s Hofs oordeel, dat verdachte i.h.k.v. een verkeerscontrole - en daarom op goede gronden - gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling, ligt besloten dat verdachtes gedragingen noodzakelijk waren voor de uitvoering van aan hem opgedragen taken. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte i.h.k.v. het noodzakelijke gebruik van de vrijstelling met zijn motorfiets op het fietspad mocht rijden en geen voorrang hoefde te verlenen aan de van rechts komende fietsster. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat verdachte niet onverantwoord snel heeft gereden en aldus niet heeft gehandeld in strijd met het voorschrift ex III sub a Beschikking de verkeersveiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. Wel heeft het Hof geoordeeld dat verdachte in zoverre in strijd met dit voorschrift heeft gehandeld, dat hij zijn motor niet tot stilstand heeft weten te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was. ’s Hofs oordeel dat verdachte o.g.v. dat e.e.a. geen schuld treft i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR merkt op dat de Beschikking, waarin art. 88 RVV 1990 als wettelijke basis is genoemd, moet worden geacht haar grond te vinden in art. 147.1 WVW 1994. Uit de omstandigheid dat ex art. 147.1 WVW 1994 de vrijstelling kan worden verleend “voor het gebruik van de weg” kan niet worden afgeleid dat de vrijstelling slechts op bepaalde verkeersregels of -tekens betrekking kan hebben.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen