HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9719
OM-cassatie. Virtuele kinderporno. Art. 240b.1 (oud) Sr, art. 2 aanhef onder c Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het IVRK. ‘Schijnbaar betrokken’. ’s Hofs oordeel dat onder de strafbepaling van art. 240b Sr ook begrepen is een realistische afbeelding van een niet-bestaand kind in de zin dat de afbeelding niet van echt is te onderscheiden, is juist. Het feitelijke oordeel dat de in de tll. onder gedachtestreepjes 5 t/m 8 omschreven afbeeldingen niet als realistisch in deze zin zijn aan te merken, is gelet ook op de niet bestreden vaststellingen dat de afgebeelde personen ‘geen echte kinderen’ zijn en dat voor ‘de gemiddelde kijker (en ook kinderen) (...) aanstonds blijkt dat het gaat om gemanipuleerde afbeeldingen’ niet onbegrijpelijk. De toepasselijke internationale regelgeving leidt niet tot een ander oordeel. De in voornoemd Facultatief Protocol gegeven definitie van ‘child pornography’ heeft niet ook betrekking op niet realistische afbeeldingen van niet-bestaande kinderen.