HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:6
1. Aanvulling bewijsmiddelen, art. 365a Sv. 2. Voorwetenschap, art. 46 Wte 1995 (oud). Ad 1. HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN BX0863. Het Hof heeft de bewezenverklaring klaarblijkelijk doen steunen op de inhoud van de in de aanvulling op de als 'verkort arrest' aangeduide uitspraak daartoe gebezigde bewijsmiddelen in samenhang met de in dat verkorte arrest voldoende nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen, en heeft zijn bewijsvoering voorts verantwoord door de in dat verkorte arrest en in die aanvulling opgenomen bewijsoverwegingen. Verdachte heeft geen belang bij de klacht over deze door het Hof gevolgde werkwijze. Ad 2. HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN AY6713. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte met het kennelijke oogmerk “om de koers te stabiliseren en daarmee te manipuleren” transacties in aandelen X heeft bewerkstelligd met medeverdachte en/of Y BV, terwijl verdachte bekend was met bijzonderheden omtrent de instelling X en omtrent handel in effecten X. T.a.v. 2 bijzonderheden heeft het Hof vastgesteld dat het bij de desbetreffende aankooptransacties gaat om wetenschap van verdachte en medeverdachte omtrent de eigen (voorgenomen) handel in de effecten X, welke (gezamenlijke) wetenschap inhield dat door manipulatie de koers van die aandelen hoog werd gehouden. Aldus heeft verdachte, samen met o.a. de medeverdachte, deze bijzonderheden zelf geschapen. Dat brengt mee dat de bij verdachte en medeverdachte bestaande wetenschap van deze bijzonderheden kennis betreft omtrent het uitvoeren van het eigen voornemen bepaalde aankooptransacties te verrichten, en dat deze wetenschap dus niet kan worden aangemerkt als voorwetenschap i.d.z.v. art. 46 Wte 1995 (oud). De omstandigheid dat verdachte en medeverdachte transacties verrichtten met het doel de koers te manipuleren, maakt dat niet anders. Voor de bijzonderheid dat verdachte ermee bekend was dat hij aankooptransacties heeft bewerkstelligd gedurende de zogenoemde gesloten periodes voorafgaande aan de publicatie van de jaarrekeningen van 2001 en 2002 geldt dat sprake is van wetenschap omtrent het eigen (voorgenomen) handelen, welke wetenschap o.g.v. het voorgaande niet als 'voorwetenschap' i.d.z.v. art. 46 Wte 1995 (oud) is aan te merken. Ook indien de t.l.l. aldus moet worden opgevat dat de wetenschap van verdachte daaruit bestaat dat hij kon beschikken over informatie uit de nog niet gepubliceerde jaarrekening over 2002, biedt het voorhanden bewijsmateriaal geen aanknopingspunt om aannemelijk te doen zijn dat van enkel deze bijzonderheid redelijkerwijs te verwachten viel dat openbaarmaking van die informatie (significante) invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen, mede gelet op de vaststaande omstandigheden dat de free float gering was en de koers door verdachte werd gestabiliseerd. HR doet de zaak in het belang van de doelmatige rechtspleging in zoverre zelf af en spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.
De uitspraak op rechtspraak.nl