HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:496
Dagvaardingstermijn. Artt. 411.2, 413.1, 588a.1, 588a.4 en 590.3 Sv. Ex art. 588a.1 Sv wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van verdachte om op de tz. te verschijnen toegezonden aan een in die bepaling genoemd adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden verzonden. Daarbij dient, zoals in art. 588a.4 Sv is bepaald, de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht te worden genomen. Indien aan deze verzendplicht niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter op de voet van art. 590.3 Sv de schorsing van het onderzoek ttz. tenzij zich een van de in dat artikellid genoemde omstandigheden voordoet. I.c. is de in art. 431.1 eerste volzin Sv voorgeschreven termijn van 10 dgn niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding iets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte of dat zich een van de in art. 590.3 Sv genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, en blijkens het p-v van de tz. verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ttz. o.g.v. art. 590.3 Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het ottz. voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. Dit verzuim strijdt zozeer met de behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.
De uitspraak op rechtspraak.nl