HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1736
OM-cassatie. Beklag, beslag. Verschoningsrecht, medisch beroepsgeheim. 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263. Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de Rb heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af. 2. Het oordeel van de Rb dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een inbreuk op het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen is niet onbegrijpelijk, onder meer gelet op het feit dat de Rb onder meer heeft geoordeeld dat zij het, gelet op de beperktheid van de voor haar beschikbare informatie, niet mogelijk achtte een oordeel te geven over de vraag of de gegevens op een andere, minder ingrijpende wijze hadden kunnen worden verkregen en dat zij van de ovj geen bevredigend antwoord had gekregen op haar in dat verband gestelde vragen. De opvatting dat in de afweging of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden geen beslissende betekenis mag worden toegekend aan de omstandigheid dat de gevorderde gegevens ook zonder doorbreking van het verschoningsrecht zouden kunnen worden verkregen, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl