HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1561
N-o OM o.g.v. art. 31.1 Vluchtelingenverdrag. Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Pb L 304/12). De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BW9266. I.c. is aan verdachte een zog. subsidiaire vorm van bescherming geboden, die als een aanvulling moet worden beschouwd op de aan vluchtelingen o.g.v. het Vluchtelingenverdrag te bieden bescherming. Dat brengt mee dat de bescherming die krachtens de rechtspraak van de HR een vluchteling kan ontlenen aan de strekking van art. 31 Vluchtelingenverdrag in de gevallen waarin nog niet definitief (afwijzend) is beslist op een door hem gedane (eerste) asielaanvraag, zich op overeenkomstige wijze behoort uit te strekken tot de vreemdeling aan wie de even genoemde subsidiaire vorm van bescherming is geboden doordat hem een verblijfsvergunning o.g.v. art. 29.1.b. Vw 2000 is verleend. Zo een vreemdeling behoort niet strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar i.h.k.v. zijn reis naar NL in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten. Daaruit volgt dat het Hof het OM in de op art. 231 Sr gebaseerde strafvervolging van verdachte n-o had moeten verklaren. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.
De uitspraak op rechtspraak.nl