HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125

Profijtontneming. 1. Schorsing onderzoek ttz. teneinde de A-G bij het Hof in de gelegenheid te stellen de ontnemingsvordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van betrokkene. Art. 29 Faillissementswet (Fw). 2. Verzoek tot het in mindering brengen op de betalingsverplichting van een in België verbeurdverklaard bedrag. Ad 1. Een vordering a.b.i. art. 36e Sr is een vordering van de OvJ die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van w.v.v.. Zo een vordering is niet een rechtsvordering a.b.i. art. 29 Fw. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat het onderzoek ttz. niet geschorst behoeft te worden, wat er ook zij van de daartoe gegeven motivering, juist. Ad 2. De middelen berusten op de opvatting dat art. 36e.7 (oud) Sr, thans art. 36e.9 Sr ook van toepassing is op ontnemingsmaatregelen die zijn opgelegd door een buitenlandse rechter. Die opvatting is niet juist. De tekst van art. 36e.7(oud) Sr noch de wetgeschiedenis bieden steun voor die opvatting. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever in art. 36e.7 (oud) Sr slechts het oog heeft op ontneming van wederrechtelijk voordeel verkregen uit ‘andere feiten’ a.b.i. art. 36e.3 Sr.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen