HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:114
1. Schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen. 2. Ontvankelijkheid OM in de vervolging en verjaring. Ad 1.Het hof heeft verdachte n-o verklaard in het h.b. omdat het beroep niet zou zijn ingesteld op de wijze a.b.i. HR LJN BJ7810. HR herhaalt de in die uitspraak geformuleerde eisen waaraan een schriftelijke volmacht moet voldoen, en de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BY8357 m.b.t. het geval waarin het verzuim om aan die eisen te voldoen, voor gedekt kan worden gehouden. Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat een door verdachte ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman op die tz. is verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) h.b. te doen instellen. Ad 2. In h.b. is een onderzoek naar de verjaring van het tenlastelegde eerst aan de orde indien het ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. HR ambtshalve: uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende 12 jaren voorafgaand aan de betekening van het vonnis enige daad van vervolging is verricht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verjaring gedurende die periode niet is gestuit. De in art. 70.3° Sr bepaalde termijn van verjaring is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. HR verklaart om redenen van doelmatigheid de O.v.J. alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak op rechtspraak.nl