HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1108

Ademanalyse-apparaat, art. 8 WVW 1994. ’s Hofs oordeel dat geen noodzaak bestond nader onderzoek te verrichten naar de bevoegdheid en bekwaamheid van de opsporingsambtenaar om een ademanalyse-apparaat a.b.i. art. 7 Besluit alcoholonderzoeken te bedienen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het door het Hof als bewijsmiddel gebezigde p-v van ademanalyse inhoudt dat genoemde opsporingsambtenaar, onder wiens leiding het onderzoek plaatsvond, overeenkomstig art. 7 Besluit alcoholonderzoeken was aangewezen, terwijl door de raadsman van de verdachte slechts is aangevoerd dat twijfelachtig is of deze opsporingsambtenaar de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat bestemde cursus heeft doorlopen omdat geen certificaat van bekwaamheid boven tafel is gekomen. V.zv. het middel steunt op een aan de schriftuur gehechte, na het bestreden arrest aan de raadsman van de verdachte toegezonden brief van de Politie Haaglanden, miskent het dat daarop niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan. De brief, inhoudende dat de bedoelde opsporingsambtenaar niet beschikt over een certificaat, doet niet af aan de begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel, reeds omdat die enkele omstandigheid niet zonder meer meebrengt dat de opsporingsambtenaar niet beschikte over de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen