HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6917
Beklag; bezwaarschrift tegen dagvaarding. De opvatting in het middel dat de mededeling van de Officier van Justitie omtrent het intrekken van de dagvaarding, aan de verdachte gedaan nadat diens bezwaarschrift tegen de dagvaarding door de Rb gegrond was bevonden, ten gevolg heeft dat de in die dagvaarding vervatte tenlastelegging niet langer grondslag van onderzoek door de strafrechter kan zijn, en ook meebrengt dat een tegen die dagvaarding ingediend bezwaarschrift buiten behandeling moet blijven, is onjuist. Het voordien in art. 262.3 (oud) Sv opgenomen voorschrift dat het indienen van een bezwaarschrift de dagvaarding van rechtswege in haar geheel doet vervallen is bij wet van 10 oktober 1998 (Stb. 474) geschrapt. Uit het schrappen kan niet worden afgeleid dat het bestaan van een niet-ingetrokken dagvaarding voorwaarde is voor de (verdere) behandeling van een tegen die dagvaarding gericht bezwaarschrift. In zoverre getuigt ’s Hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is ’s Hofs oordeel dat met de brief van het OM slechts is beoogd de verdachte te informeren dat de behandeling van de strafzaak niet zou plaatsvinden op de in de dagvaarding genoemde datum, en de verdachte aan die brief niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij terzake van de hem bij die dagvaarding tenlastegelegde feiten niet verder zou worden vervolgd niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl