HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3807
Jeugdzaak. 1. Bewijsklacht. 2. Getuigenverklaring behelzende een feit of omstandigheid die de getuige niet zelf heeft waargenomen of ondervonden. 3. Strafoplegging in strijd met Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en/of beginselen behoorlijke procesorde. 4. Redelijke termijn in cassatie. Ad 1. De bewijsklacht slaagt, maar de HR neemt aan dat het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging a.g.v. een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen en leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Ad 2. De HR verstaat de betrokken zinsnede aldus dat deze niets bevat wat niet vatbaar is voor eigen waarneming of ondervinding. Ad 3. Het middel berust op de opvatting dat ingeval van veroordeling van een strafrechtelijk minderjarige verdachte t.z.v. overtreding van art. 5 WVW 1994, de enkele omstandigheid dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk is ontzegd, “terwijl deze bijkomende straf noch in eerste aanleg noch in hoger beroep aan de orde is geweest” in strijd is met het IVRK en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde. Deze opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat verdachte in hoger beroep werd bijstaan door een raadsman, faalt het middel. Ad 4. Overschrijding inzendings- en 16 maanden-termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl