HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9200

Jeugdzaak. Opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv. Het Hof heeft kennelijk i.h.k.v. het voortbouwend appel niet alle aan verdachte tenlastegelegde feiten met verdachte besproken. Dat strookt met de in art. 415.2 Sv tot uitdrukking gebrachte bedoeling van de wetgever het onderzoek op de tz. in h.b. te concentreren op de bezwaren die door verdachte of het OM tegen het vonnis worden ingebracht. Blijkens het p-v van de tz. in h.b. heeft de raadsman van verdachte verklaard dat het h.b. enkel is gericht tegen de beslissingen t.a.v. de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Die vorderingen houden verband met de in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 tenlastegelegde feiten. Het Hof heeft het onderzoek t.tz. i.h.b. op die feiten gericht. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt voorts dat verdachte aldaar geen verklaring heeft afgelegd m.b.t. de in zaak B onder 2 en 5 en in zaak D tenlastegelegde feiten en dat de raadsman van verdachte in h.b. geen vrijspraak van die feiten heeft bepleit. In zo een geval kan door het Hof op de voet van art. 359.3 Sv met een opgave van de bewijsmiddelen worden volstaan, indien, bijv., verdachte t.tz. in eerste aanleg het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte met de weergegeven verklaringen de in zaak B onder 2 en 5 en in zaak D tenlastegelegde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is niet z.m. begrijpelijk, nu deze verklaringen telkens niet alle voor bewezenverklaring noodzakelijke onderdelen, zoals die zijn tenlastegelegd, inhouden. Het middel klaagt daarover terecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen