HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9202

Geldigheid dagvaarding hoger beroep. De opvatting in het middel dat de niet-inachtneming van de in art. 4.1 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen, genoemde termijn van zeven dagen zonder meer leidt tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, is in zijn algemeenheid onjuist (vgl. HR LJN BM4385). In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat is verzuimd de desbetreffende gerechtelijke mededeling gedurende de termijn van zeven dagen na de dag van aanbieding te bewaren op de in het bericht van aankomst vermelde plaats als bedoeld in art. 4 van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen. Dit verzuim kan alleen tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding leiden, indien blijkt van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte als gevolg van dit verzuim de desbetreffende mededeling niet tijdig in ontvangst heeft kunnen nemen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en hij daardoor is getroffen in zijn belang tijdig op de hoogte te worden gesteld van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De stelling van de verdachte houdt niet met voldoende mate van verifieerbare duidelijkheid in dat de verdachte, aan wiens GBA-adres een afschrift van de dagvaarding is toegezonden, binnen de termijn van zeven dagen heeft getracht de gerechtelijke mededeling af te halen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en dientengevolge niet tijdig op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is, is juist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen