HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246
Bewijsklacht. Het verweer dat verdachte in onwetendheid verkeerde omtrent de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs strekt ten betoge dat het bestanddeel dat hij ‘redelijkerwijs moet weten’ van de ongeldigverklaring als bedoeld in art. 9.2 WVW 1994 niet is vervuld, zodat vrijspraak moet volgen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte per aangetekende brief aan hem is verzonden en retour is gekomen met de mededeling dat de brief niet is afgehaald, daartoe, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet voldoende. Voorts kan zulks niet zonder meer worden afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte de van het CBR afkomstige brief - waarin hem wordt medegedeeld dat het CBR besloten heeft tot het opleggen van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer - heeft ontvangen en evenmin uit de omstandigheid dat verdachtes raadsman tegen laatstgenoemd besluit bezwaar heeft aangetekend, welk bezwaar geen schorsende werking heeft. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De uitspraak op rechtspraak.nl