HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7412
Art. 31.1 Vluchtelingenverdrag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BO1587 m.b.t. “rechtstreeks komend”. ’s Hofs kennelijke oordeel dat het verblijf van verdachte in Griekenland niet als een verblijf gedurende korte tijd kan worden aangemerkt geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Vzv. het middel betoogt dat Griekenland geen veilig land is en dat verdachte dus rechtstreeks afkomstig is uit een land waar haar leven of vrijheid werd bedreigd i.d.z.v. art. 1 Vluchtelingenverdrag kan het middel niet tot cassatie leiden omdat niet blijkt dat daarop bij de appelrechter een beroep is gedaan of dat door het Hof daaromtrent iets is vastgesteld. Voor een beoordeling van de gegrondheid van die stelling is in cassatie geen plaats. De HR merkt overigens op dat het Hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld dat verdachte Griekenland heeft verlaten omdat het leven aldaar “duur was en zij geen werk had en geen uitkering ontving”
De uitspraak op rechtspraak.nl