HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5577

Vordering wijziging tenlastelegging. Art. 313 Sv. Art. 68 Sr. Nu het Hof het OM deels niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verdachte, heeft deze in cassatie alleen belang bij zijn klacht v.zv. de gewijzigde tenlastelegging heeft geleid tot een veroordeling. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BM9102. De aan verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging omschreven als het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens aan de belastingdienst. De tenlastelegging is toegesneden op art. 68.1.a juncto 68.2 (oud) Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegesneden op art. 68.1.b juncto 68.2 (oud) AWR. In aanmerking genomen dat de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed en het verschil in de daarin omschreven gedragingen, wat betreft de aard en de strekking daarvan en wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht, van beperkte betekenis is, geeft het oordeel van het Hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen