HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8758

Economische zaak. Dagvaarden van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde rechtspersoon, art. 532 en 588.2 Sv en art. 5 EU-Rechtshulpovereenkomst. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD5163 rov. 3.33-3.37. Bij de stukken van het geding bevindt zich niet een stuk waaruit kan blijken dat aan verdachte een vertaling in de Engelse taal van (de essentie van) het afschrift van de dagvaarding in h.b. is toegezonden. Het moet er dus voor worden gehouden dat zulks achterwege is gebleven. Het Hof had daarin in beginsel aanleiding moeten zien het onderzoek ttz. te schorsen teneinde alsnog de vertaling aan de verdachte te doen toezenden, tenzij het Hof het aannemelijk had gevonden dat verdachte niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding niet te harer kennis komt. Van zodanig onderzoek heeft het Hof ten onrechte niet doen blijken. Omstandigheden die bij dat onderzoek betrokken kunnen worden zijn de bekendheid van de buitenlandse verdachte met de instantie waarbij hij inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten m.b.t. het h.b., eerdere correspondentie of zijn bijstand door een (Nederlandse) advocaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen