HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8746

OM-cassatie. Art. 72.1 Sr en art. 110 Sv. Vordering tot doorzoeking daad van vervolging? Vervolg op HR LJN BN1014 en LJN BN1028. Bezwaarschrift ex art. 262 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AT2968 m.b.t. de aan het instituut van verjaring ten grondslag liggende gedachten. Een vordering i.d.z.v. art. 181 Sv tot het instellen van een GVO (vgl. HR LJN AT2968) alsmede een vordering i.d.z.v. art. 110 Sv van de OvJ aan de RC tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming zijn daden van vervolging i.d.z.v. art. 72.1 Sr. Het oordeel van het Hof dat de door de OvJ op de voet van art. 110 Sv aan de RC gedane vordering tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming i.h.k.v. het strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachten geen daad van vervolging is zodat van stuiting in de strafzaak van verdachte geen sprake is, is onjuist. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat “doorzoeking van plaatsen niet zijnde woningen en kantoren van geheimhouders (...) een zelfstandige bevoegdheid van de OvJ [is], welke, op een enkele uitzondering na, geen rechterlijke tussenkomst vereist” maakt dit niet anders, nu het hier niet gaat om zo een door de OvJ verrichte doorzoeking, maar om een door hem aan de RC gedane vordering tot het verrichten van een doorzoeking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen