HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8740

Beklag. 1. Artt. 126 en 126e Sv. De opvatting dat de Rechter-Commissaris, gezien het tijdsverloop, de gegeven machtiging tussentijds had dienen te toetsen alvorens de Officier van Justitie tot het leggen van het beslag mocht overgaan is onjuist. De wet verbindt aan de geldigheid van een op de voet van art. 126.3 Sv gegeven machtiging geen termijn. Het is op grond van art. 126e Sv de Rechtbank die waakt tegen nodeloze vertraging van het SFO en die in zodanig geval de beëindiging van het onderzoek kan bevelen. 2. De klacht die opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat "zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen" faalt op de gronden als in de CAG vermeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen