HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7670
Profijtontneming. Art. 511b.1 en 4. Sv, termijn (afzonderlijke) ontnemingsvordering en oproeping ter terechtzitting (ttz). Het Hof heeft geoordeeld dat de vanwege de OvJ uitgebrachte ontnemingsvordering van 28 december 2005, gelet op de datum van de uitspraak in eerste aanleg op 25 mei 2004, tijdig, d.w.z. binnen de termijn van art. 511b.1 Sv, aanhangig is gemaakt. Daaraan doet voorts niet af dat de OvJ bij faxbericht van 3 februari 2006 de van deze ontnemingsvordering deel uitmakende oproeping om op 8 februari 2006 ttz van de Rb te verschijnen heeft ingetrokken en op 25 april 2007 opnieuw een vordering tot ontneming met daarbij behorende oproeping aan betrokkene heeft uitgebracht. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting, i.h.b. niet omtrent het bepaalde in art. 511b.1 en 4. Sv. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de ontnemingsvordering van 25 april 2007 wat betreft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de grondslag waarop de vordering berust gelijkluidend is aan de aanvankelijke ontnemingsvordering (28 december 2005), zodat niet gezegd kan worden dat van een “nieuwe” ontnemingsvordering sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl